De lopende bas wordt gezien als een van de drie belangrijkste onderdelen van fingerstyle muziek, samen met de akkoorden en de melodie. Het vereist veel oefening om de techniek van de lopende bas onder de knie te krijgen, maar zodra je hierin slaagt zul je merken dat het een nieuwe dimensie geeft aan je gitaarspel.
Deze eerste lopende bas oefening bevat een aflopende baslijn. In de bladmuziek zijn de basnoten te herkennen aan het feit dat de stokken van deze noten naar beneden gericht staan, en aan de letter p die boven deze noten geschreven staat, wat aangeeft dat ze met de duim gespeeld horen te worden.
Hoewel dit fragment grotendeels uit losse noten bestaat, is er veel beweging van de linkerhand nodig om alle noten van zowel de melodielijn als de baslijn te fretten.

Er wordt bij deze oefening een capo gebruikt, deze staat op de tweede positie. Op iedere tel worden er tegelijkertijd een basnoot en een melodienoot gespeeld, terwijl er tussen de tellen in enkel melodienoten gespeeld worden.
De tweede basnoot wordt met de linkerduim gefret. Hoewel het in dit fragment niet noodzakelijk is om de duim te gebruiken om de zesde snaar te fretten, is dit wel een goede oefening aangezien deze linkerduimtechniek vaak gebruikt wordt in nummers met een complexere lopende bas.

Dit fragment bevat een lopende bas, en het melodiedeel bevat flageoletten, slides en een pull-off. Het is een veeleisende oefening voor de linkerpink omdat veel van de noten door deze vinger gefret moeten worden.
Halverwege de laatste maat schuift de linkerhand vijf posities omlaag, maar ten opzichte van elkaar veranderen de posities van de vingers niet. Probeer de bijgeluiden die je hoort tijdens het schuiven over de snaren te minimaliseren.



